Inleiding

 

Sinds toenmalig minister-president Lubbers in de jaren tachtig de conclusie trok dat “Nederland ziek” was, is een serie van wettelijke maatregelen gevolgd, die tot doel had het steeds maar toenemende beroep op de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen terug te dringen. In zijn onmacht het tij te keren, gunde de regering zich geen tijd voor evaluatie van reeds getroffen maatregelen en werden nieuwe maatregelen al ingevoerd, voordat goed en wel duidelijk was wat het effect was van voorgaande maatregelen.

Deze maatregelen hebben de uitkeringsrechten van de werknemer versoberd en beperkt. Maar meer nog dan dat is de arbeidsongeschiktheid van een werknemer in financiële zin vergaand het probleem van de werkgever geworden, veel meer in elk geval dan dat van de regering.

Navrant is daarbij dat bij deze sterk verslechterde positie van de werkgever tenminste één belangrijk probleem nog steeds niet is aangepakt: dat van de tekortschietende kwaliteit van de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen . Het lijkt er zeer op dat de overheid het probleem van het hoge beroep op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op het bordje van de werkgever heeft gelegd, zonder zorg te dragen voor een oplossing van dat deel van het probleem, waarvoor de overheid zelf verantwoordelijkheid blijft dragen.

Ten gevolge van de hierboven beschreven ontwikkelingen zijn de arbeidsrechtelijke bescherming van de arbeidsongeschikte werknemer, de uitkeringsrechten van de werknemer en de premiebelangen van de werkgever vergaand met elkaar verstrengeld geraakt. Voor de werkgever is geen ander onderdeel van de wetgeving daardoor zo complex als de wetgeving op het gebied van de arbeidsongeschiktheid van werknemers.

mr J.P.M. (Joop) van Zijl.